Er loopt een neger in het bos (Uit het Boek van Blas)

Blas zou altijd over me waken. En vooral als er Moren in het dorp waren.

‘’Er loopt een neger door het bos!’’ Schreeuwt Blas terwijl hij sneller dan zijn muildier probeert het zandpad omlaag te rennen. Ik schrik me rot. Niet van die neger in het bos, want die kende ik. Het is mijn logé, Brian. Ik schrik omdat Blas onbeschaamd en confronterend het woord neger door de vallei schalt met alle echo’s van dien.

Alsof de Moren binnenvallen.

‘’Issie bij jou? Heb je hem al gezien? Hij liep deze richting uit.!’’ Hijgt Blas als hij eindelijk in een stofwolk is gearriveerd. Hij is een en al zorgen, dat is duidelijk.

Terwijl ik hem probeer te kalmeren en uit wil leggen dat hij niet meer neger mocht zeggen in het nabij zijn van mijn gast, komt Brian, de bewuste neger in kwestie, aanslenteren met zijn gebruikelijke brede grijns. Blas gaat een beetje schuin achter me staan, alsof er een grommend beest op hem af komt. Het lijkt geen aanstel, hij is duidelijk bang. Brian steekt zijn joviale hand uit naar Blas, die deze na lang aarzelen accepteert, maar niet van harte schudt.

(Hij controleert snel even zijn eigen handen, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij niet van vorm of kleur is veranderd door de handaanraking met Brian. Hij doet me denken aan kleine Afrikaanse kindjes, die over je huid willen wrijven om te kijken of het wit niet afgeeft.)

Brian, die zich weinig aantrekt van de gespannen situatie, omdat hij er van uit gaat dat in dit soort contreien iedereen verstandelijk gehandicapt of dement is en altijd zo reageert op vreemdelingen, trekt zich terug met een boek op de patio. Mijn waakhonden scharen zich op zijn voeten. Blas blijft zitten om nog een kwartier ongegeneerd te staren.

Hoofdschuddend mompelt hij: ‘’Een neger die kan lezen, het moet niet gekker worden dan dit..’’

Terwijl hij Brian scherp in de gaten blijft houden, komt hij de keuken binnen en fluistert: ‘Hij is wel oké, denk ik. Maar ik blijf hier vannacht.’ Hij knikt naar zijn siëstahoek in de ingang van de bodega. ‘Je weet maar nooit. En aan die honden heb je ook niks.’

’s Avonds stookt Blas een vuurtje op het erf, om de vochtige koude avondlucht nog even weg te houden. Zwijgend hebben we urenlang gedrieën in de vlammen gestaard.
Van vuur komt verbroedering.

Blas kan met een gerust hart gaan slapen en de Moor keert morgen weer terug naar huis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s