Laf schrijvershart (uit het Boek van Blas)

Aanvankelijk was Blas een ongewenste gast op mijn nieuwe territorium. Hij staarde onbeschoft lang en met mond open zodra hij me zag, brabbelde een voor mij onherkenbaar dialect en deed allerlei klusjes die ik hem nooit gevraagd had te doen.

Blas was geen kwaaie, maar ik wilde niemand om me heen hebben. Laat staan iemand waarmee ik amper kon communiceren. We draaiden als twee honden om elkaar heen. Hij oud , trouw en grommend en ik een terriër, driftig overwaaks en bijterig.

Maar zijn trouwheid was hardnekkiger dan mijn territoriale drang. Trouwheid kan veel breken. Het brak mij tenminste.
Vier keer per week en soms vijf keer daalde hij af naar de finca met of zonder muildier, een bosje kruiden, een mand met eieren van Paqui en af en toe een zwerfhond of een gevild konijn. Zuchtend en klagend ging hij dan een klusje doen. Vaak waren dat klusjes waar ik met mijn stugge stadse hoofd nooit op zou zijn gekomen. Zoals:

– De mieren uit de amandelboom slaan met kleefkruid.
– Een vijgenplukapparaat maken van bamboe en elastiekjes van de postbode, waarmee je de vijgen hoog in de boom onbeschadigd kunt plukken.
– De gereedschappen schuren met zand, inwrijven met olijfolie en dan met meel van Paqui.
– Ratten opjagen en doodslaan tegen de muur van de waterbassin in de beek met een steekschop.

Dat soort dingen.
Er was dus niets dat ik Blas kon leren.

Het leukst van mijn activiteiten vond Blas als hij tegenover me zat tijdens de siësta, terwijl ik op mijn laptop typte. Ik probeerde aan mijn boek te werken, elke dag 3 uur. Hij bleef dan doodstil zitten met een grote tandenloze grijns en typte met zijn kromme vingers op het tafelblad mee. Soms slurpte hij luidruchtig aan zijn koffie, zonder zijn blik van me af te wenden. Het wende, als een te zware hond die altijd op je voeten wil liggen.

Steevast vroeg hij na vijf minuten: ‘’Aan wie schrijf je toch zoveel brieven?’’ En dan moest hij hartelijk lachen om zijn eigen grap.
Zo schreef ik drie zomers lang 12 hoofdstukken van een nooit verschenen en slecht geschreven boek. Eens per maand ging ik in de stad mijn siëstavruchten uitprinten bij de supermarkt en dan bewonderde Blas de dag erna de groeiende stapel letters op de keukentafel. ‘Dat wordt een dik boek zeg.’ Zei hij dan bewonderend en trots.

Achteraf: Blas was de enige persoon ooit die ik dicht bij me kon hebben tijdens het schrijven. Hij was analfabeet. Lekker veilig. Er was alleen bewondering. Omdat ik zo veel kon typen.

Ik leefde wel stoer, maar met een heel laf schrijvershart in die tijd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s