Camarón de la Isla

Er was niks vrolijks aan `la isla’, maar die wind, die zee, dat zand en Camarón; ze vraten voor altijd een gaatje in mijn ongelovige ziel.

’Ik heb altijd last van mijn geheugen als de Mistral komt.’ Zei Juan el Serio. We schoten allemaal in de lach. Want Juan el Serio had zijn geheugen in 1980 al verdronken in de sterke drank en gaf elke zomer de Mistral nog steeds de schuld.

We zaten samen bij ‘la isla’, een illegaal drankhok in een oude schippershut op de strandvlakte bij San Fernando. Tussen de nieuwe en oude haven en verscholen lag een stukje niemandsstrand waar Pedro en zijn vrouw sinds de jaren zestig hun stamgasten vanuit een schamel hutje voorzagen van blikken bier, belastingvrije whisky en een gegrild visje. Het schots en scheve hutje was al tientallen keren omgewaaid in de storm, maar werd steeds weer trouw door stamgasten en onder het strenge oog van Paco in elkaar getimmerd.

Camarón de la Isla was een van de stamgasten van ‘La isla’ en volgens de verhalen leefde zijn geest nog steeds op het niemandsstrandje bij San Fernando. ’s Nachts hoorden de aan lager wal geraakte vissers in plaats van zeemeerminnen Camaróns laatste bulería’s.

De guardia en havenpolitie kwamen nooit op het niemandsstrand. ‘Ze weten wel beter.’ Zei Paco grimmig als het woord politie hoorde vallen. In 1998 had een ijverige nieuwe burgemeester van het dorp een bulldozer het gebouwtje weg laten vegen. Een zinloze actie; 2 dagen later stond ‘la isla’ weer overeind.

‘Alleen de storm en de zee mogen mij weg proberen te jagen. Aan mensen heb ik geen boodschap.’ Het leek alsof de volhardendheid van Paco zelfs de Atlantische wind kon doen laten liggen.

Maar vandaag niet. De Mistral waaide, de Atlantische oceaan was van een woedende kleur donkerblauw en het stof en zand in de lucht maakte alles onheilspellend grijs.
En ik, landrot, wilde naar huis, want ik was doodsbang dat ik weg zou waaien en verdrinken.
De Mistral nam in hevigheid toe en ‘la isla’ kraakte en zuchtte vermoeid om overeind te blijven. Ik leek de enige die zich daar zorgen over maakte en wilde weg uit deze bedompte houten kist die trilde alsof hij die elk moment de lucht in kon vliegen.

Ik glipte naar buiten om lucht te happen en moest me meteen schrap zetten tegen de wind. Ik sloot mijn ogen tegen het zand en liep een eind de strandvlakte op. Na enkele meters begreep ik waarom de vissers samen zuipend in een houten kist sterven prefereerden boven een eenzame dood van wegwaaien in het dreigende donkerblauw met een tot op het bot gezandstraald gezicht. Ik was zo bang als een landrot kan zijn en liep snel terug naar ‘la isla’, flink geduwd door de wind in mijn rug.
En terwijl ik mij door de Mistral over de vlakte liet duwen en me plots besefte hoe klein en nietig ik was ten opzichte van de storm, de Atlantische oceaan, de wind en de woestijnen wiens zand nu tot in mijn bilnaad zat, hoorde ik de zachte flarden van Camaróns laatste Bulería..

Jezus, ik was niet eens gelovig of dronken.

Het was Paco, die een CD van Camarón had opgezet. Maar tot het moment dat ik dat besefte, heb ik de geest van Camarón gevoeld. En dat was prachtig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s