Just a normal day?

Unknown

Buiten is alles normaal. Fietsers fietsen, vrachtwagens lossen, een hond pist tegen het bord van de Jumbo. Just a normal day.

ME busjes. Knuppels. Ik kruis mijn blik met een man met een oortje in en een kogelvrij vest aan – niet onaantrekkelijk kaal – net als in de film. Opgefokte jeugd met telefoontjes, heel opvallend en toch ongezien – lopen zich vast in een oploopje. Verdwijnen tussen schouders en capuchons. Stemmen vol adrenaline, bleke, boze gezichten van mannen, ooms, neven, buren. Bloemen op straat. Alweer opwaaiend cellofaan. Een huilende vrouw. Waar hij lag. Met een opgetrokken knie. Te jong en te dood. Boosheid, verdriet, begrijpelijk maar beangstigend. Een groepje agenten trekt een sprint naar een onzichtbare finish om de hoek. Omroepbusje, twee nerveuze cameramannen met een veel te zwaar statief.

Twee straten verderop. Uitgestorven. Mijn vader luistert radio. De kranten op tafel, een halve kop thee. De hond slaapt, hij lijkt wel dood, maar ik durf niks te zeggen. Hij hoort me denken en zegt: ”17 jaar en 4 maanden is hij nu.” Een hond van de dag. De hond zucht diep en ademt uit met een rochel. Apneu misschien. Opluchting. Niet vandaag aub.

”Ik ga de hond uitlaten, dat beest moet pissen.”

” Zal ik even meelopen?”

”Nee gek, ze zijn nu wel klaar met schieten.”

”Ga je niet te ver?”

”Nee kind.”

Ik blijf achter met het nieuws op de radio en volg mijn vader en hond vanachter de vitrages. Onrust in Blerick, daders voortvluchtig, bewoners boos, na de reclame. Ik pak mijn camera en film mijn vader die helemaal alleen over de verder lege straat slentert, in gedachten verzonken.

”Ben je niet bang?” vraag ik als hij terug is.

”Als mijn tijd gekomen is, dan is dat zo. Ik ben niet bang. En ik zeg nog steeds iedereen in de buurt hallo. Of ze dat nu gek vinden of niet. Kijk je wel uit op de terugweg kind?”Hij legt een oude beddensprei over mijn camera die op de bijrijdersstoel ligt.

”Je moet die auto eens wassen en uitmesten, wat een puinhoop kind. Ben voorzichtig.”

”Jij ook pa.”

Ik beloof beter tegen beter weten in. We lachen. We zoenen. Ik toeter, hij zwaait. Ik rij. Met een hele grote boog (van een kilometer of twaalf) om de realiteit en de boosheid heen. Ik wandel, ik winkel, ik werk, steek een kaars aan, maak spaghetti carbonara, ik bel met vrienden, drink een borrel, kijk het nieuws, draai Lou Reed.

Maar het helpt niet.

Ik pak een boek. Een grappig boek. En val na de titel uitgeput in slaap op de bank. Ergens tussen ontwaken en echt wakker worden zie ik door mijn vitrage de wereld die een fractie donkerder lijkt dan gisteren rond deze tijd. Mijn kaars brandt nog. Mijn ogen moeten nog wennen aan het nieuwe donker. Voorzichtig tast ik mijn verse herinneringen af op de valreep van de zonsopgang.

Buiten fietsen fietsers. Een vrachtwagen lost zijn vracht, bovenbuur klettert een ochtendplas. Aarzelend omarm ik deze dag. Just a normal day

 

Advertenties

Nummer 152, de halve gare eend

frogduck

Het was een goeie, maar lange dag. Dus ik loop mezelf een paar kilometer rustig. Althans, dat is het voornemen. Na een kilometer loop ik achterop een grote groep Chinezen. Ik vertraag mijn pas en probeer een gaatje te zoeken in de muur van ruggen om in te halen.

Onbegonnen zaak, dus ik probeer me aan te passen aan hun tempo en fantaseer 500 meter lang dat ik een Chinees ben, op bezoek in Nederland. Wat doen Chinezen op een mooie zomeravond in Eindhoven bijvoorbeeld? Ze fotograferen elkaar en zichzelf. Aan het watertje in de stad bij de eenden en dan nog eens met z’n allen op het bruggetje. En dan? Open deur. Ze gaan naar de Chinees natuurlijk.

Chinezen gaan naar een goeie Chinees, is een oud Chinees gezegde. En ik heb vandaag geen zin om te koken. Uitstekende spontane ingeving.

Ik  beland in een eetzaal die lijkt op het penthouse van James Bond in Goldfinger. Niet het type nasi rames en een loempiaatje-Chinees. Geen lampionnetje te zien ook. Zelfs het Aquarium lijkt van out of space. Neonkleurige led-plantjes bewegen zacht ritmisch op en neer en er zwemt een kleine gouden goudvis. Ik ken goudvissen alleen in het oranje. Ja. Dit is een heel bijzondere Chinees.

Take Away? Vraagt de ober. Vluchten kan niet meer. Ik knik en vraag of ik de kaart mag zien. In een snelle beweging schuift de man een stoel in mijn knieholtes en dan een kaart onder mijn neus, loopt weg en keert een minuut later terug met een grote mok met verse Chinese thee. “Chinese Tea while you’re waiting!” roept hij en verdwijnt weer.

Dit is een heel bijzondere Chinees.

Bij het bestuderen van de kaart krijg ik lichte kortsluiting. Dat heb ik weleens bij te veel nummers en bij de ondergrondse in Parijs. De ober is er weer en roept in mijn oor: “Numbel?” Ik weet niet waarom, maar ik hoor mezelf nummer 152 bestellen. Het enige wat ik zonder leesbril van dat gerecht had kunnen oppikken was het woord ‘half’. Dat klinkt prima, ik ben immers geen grote eter en je komt al snel met een kilo of anderhalf te veel bij de Chinees vandaan.

Ik drink mijn thee en droom een loom kwartiertje weg in het James Bond decor,  en het geroezemoes van de groep Chinezen die enkele meters verderop waren neergestreken en foto’s van elkaar en de kroepoek, de lampen en het aquarium maakten.

Nummer 152 blijkt, als ik het witte papier thuis met kloppend hart uitvouw, een halve, helemaal niet gare eend, ruim hangend in zijn gaargekookte, flubberige zachte kippenvelvet. Terwijl ik mijn eend en bijgeleverde accessoires uitstal – de honger zakt al – komt de kat naar binnen met een schreeuwende kikker in zijn bek. De tweede al vandaag. (Het verbaast me nog steeds dat kikkers kunnen schreeuwen. Ik eet al jaren geen kikkerbillen meer om die reden.)

Net als ik begin te twijfelen of iemand LSD in mijn thee heeft gedaan, Appt een vriendin uit Venlo: ‘’Ga je nog iets spannends doen op je laatste vrije avond in Eindhoven?’’

Ik antwoord: “Ik heb zojuist gewandeld met een groep Chinese expats, zit nu met een halve gare eend op de bank en een schreeuwende kikker aan mijn voeten die niet gekust wenst te worden door de kat.

Hoe spannend wil je het hebben op maandagavond?

 

mijn zorgrobot en de punaises van Oma

robot-flower-wallpaper-1

Vroeger hadden we thuis een boekje getiteld Oma weet Het Beter. De eerste druk, met nog ouderwetsche Nederlandsche woorden erin. Bij een zwerende vinger, een teek (was het nu linksom of rechtsom draaien, een gloeiende sigaret erop of verdrinken in olie of afschrikken met terpetine?) maar ook nachtmerries, een zwaar gemoed of een kater na te veel drank. (rauwe eieren of haringen?) In Oma Weet Het Beter stonden eigenlijk alle oplossingen voor de grote wereldproblemen die zich zo dagelijks kunnen manifesteren in een groot huishouden.

Ik slaapwandelde als kind wel eens. En nogal uitgebreid. Zo werd ik weleens wakker met mijn hoofd in het felle ijskastlicht, in de hondenmand naast Bruno, of slapend onder de salontafel. Mijn moeder maakte zich zorgen nadat er een broodje-aap verhaal rondging over iemand in de buurt die uit het raam was gesprongen tijdens het slaapwandelen. Waar gebeurd of niet, het was een eng verhaal. Ze raadpleegde ons beduimelde Oma-orakel. Natte lappen naast het bed, was het advies. En als dat niet werkt: schoenspijkertjes. Mijn broer, die zich in die tijd in de sadistische puberale fase bevond, wist meteen een doos punaises te vinden en zei: die blijven beter liggen.

Natuurlijk heeft mijn moeder geen schoenspijkers, natte lappen of punaises rond mijn bed gestrooid. Maar voor mij leek het beeld al voldoende om ’s nachts gewoon in mijn bed te blijven liggen.

‘Oma weet raad’, de slimme best-sellende opvolger van ‘Oma weet het beter’’ heeft er goed munt uitgeslagen sinds de eerste druk in 1992; het boek is inmiddels tig keer in de herdruk gegaan en een succesvolle website schiet online dagelijks duizenden huishoudens te hulp bij het signaleren van een teek, een zilvervisje, of een jengelig kind met melktandjespijn. Oma’s raad reikt in feite nog veel verder dan bestellende boekjes en websites; ouderwetsche huishoudtips zijn miljoenenhandel en de basis voor talloze vrouwenmagazines, de marketingstrategie van biologische merken en ketens, tv-formats, gezondheid-vlogs, Instagram-dieet-guru’s. Oma zit zelfs tot in de haarvaten van advies- en psychologen-praktijken en alternatieve geneesmarkt. Oma is ons pre-technologische geweten uit de tijd toen we nog niet wisten dat we de wereld om zeep hielpen, maar wel wisten hoe we moesten overleven met de beperkte kennis en met de simpele middelen die we toen binnen bereik hadden. Als Oma had geweten dat er een eeuw later een miljoenen industrie zou ontstaan rondom deze simpelheid, dan had ze de rechten van haar eerste boekje in 1928 wel beter vastgelegd bij de notaris.  Of Dokter Vogel geheten. En hiermee had ze dan weer haar nazaten tot en met de vijfde generatie kunnen voorzien van een basisinkomen.

Dusss….Inmiddels weten we het zeker: Oma wist het fucking beter!

Waarom ik zelf ook nog naar dit soort boekjes neig te grijpen als ik een huishoudelijk wereldprobleem heb, weet ik eigenlijk niet. Maar ik stopte onlangs toch weer eens een natte krant in mijn nieuwe schoenen, legde een spons met azijn op een schoteltje, steek kruidnagels in sinaasappelen die te lang gelegen hebben en heb me onlangs nog flink laten uitlachen omdat ik weegbreebladeren in mijn sokken had gestopt. Dat hadden ook vier flesjes spray kunnen zijn uit een winkel: schoenen-soepelmaak-nano-spray, luchtverfrisser, voeten-zonder-blaren-spray.

Onlangs slaapwandelde ik weer eens sinds hele lange tijd. De trap naar mijn slaapkamer is Amsterdams steil en hoog voor Eindhovense begrippen; een bijna-ladder. Ik schrok wakker op ongeveer een halve meter voor de trap. Mijn geest had er snel een doosje punaises en natte lappen neergegooid, bleek. Auw. Zo zie je maar weer. Oma’s domme belachelijke raad, heeft zich in mijn systeem genesteld als welkome alarmbel.

Moderne tijd en ouderwetse wijsheid; ze zijn een prima huwelijk. Generatieoverschrijdend ook. Ik omarm beide. Generatiedingetje. Als ik later bijvoorbeeld een zorgrobot krijg, dan leer ik die gewoon kruidnagels in sinaasappelen steken en weegbree plukken als ik niet meer kan bukken.

PS. Mijn eigen oma’s wisten trouwens helemaal niks. De enige wijze raad die ik mij van oma #1 kan heugen: ”Kind, zorg dat je altijd een schone witte onderbroek aan hebt en eentje in de tas, voor het geval je een ongeluk krijg en ze je vinden.” Oma #2’s tip voor het leven was: ”Meisje, zorg ervoor dat je geen grote borsten krijgt, want dat moet je allemaal maar meeslepen een leven lang.” 

 

 

 

Krakende traptreden nummer 4 t/m 7 en 13

 

house

Een nieuwe straat. Een vreemd huis vol onbekende geluiden en geuren. Het licht dat weer anders over weer een andere keukentafel glijdt, terwijl ik koffiezet op weer een ander fornuis.

Als een inbreker sluip ik de trap op. Alweer alle krakende treden onthouden. Nummer 4 t/m 7 en 13. Gekke oude gewoonte. Mijn hand op de tast naar de lichtschakelaar. In het moment tussen onbekend duister en de opluchting van licht zie ik een logeerkamer van een tante in Tilburg waar ik de lichtknop niet kon vinden. Een fluwelen gordijn dat voeten krijgt en waarin zich een Hitchkock-fragment verstopt.

Een vreemd, oud huis trekt jeugdregisters bij me open waarvan ik niet meer wist dat ik ze bewaard had. Dat maakt dat ik me jong voel, op een heel oude manier.

We moeten gewoon nog even wennen aan elkaar, het huis en ik. Haar 30-er jaren charme helpt wel. De relatieve rust van vooroorlogse ouderdom, granieten gangvloeren en hoge plafonds stralen een herkenbaar, universeel logeertantegevoel uit.

Morgen ga ik een brood bakken. Of misschien een appeltaart. De geur van brood en kaneel trekt nestel-feromonen uit de voegen van elk huis. Net als koffie, een uitgeblazen kaars, knoflook in de pan, Nagashampa-wierrook, een liedje van Joni Mitchell op zondagochtend, een kwebbelende logé op de bank, de kat die zeurt om eten.

Ík ben snel gesetteld in drie Bo-Rent-ritten en 20 verhuisdozen maar de ziel moet nog mooie wol spinnen van alle nieuwe geuren, geluiden.

Ook van dit huis, haar stilte, haar geuren en geluiden ga ik houden, ondanks dat het een verstandshuwelijk is en wij al lang geen maagden meer.

 

 

Cut

editing

Vroeger, als ik een dag flink gerolschaatst had en ik trok daarna mijn normale schoenen weer aan, ging ik steevast op mijn bek. Je hersenen wilden nog vaart maken, maar je benen begrepen dat nog niet.

Alhoewel ik gelukkig veel afwisseling in mijn vak ken – slaan bij het monteren van video de repeterende bewegingen minstens zo sterk in mijn systeem dan vroeger bij het rolschaatsen.

Omdat montages vaak best lange en eenzame ritten zijn, hanteer ik een streng regime van elke 6 uur CO2 tanken, veel bananen eten, beetje bewegen en af en toe een echt levend mens hallo zeggen.

Maar mijn benen rolschaatsen nog omdat mijn hersenen de normale loop van het leven nog niet aan mijn voeten gecommuniceerd hebben.

Eenmaal buiten begin ik de wereld meteen in stukjes te knippen. ‘’Mooi die gele auto van links naar rechts door het beeld met die donkere herfstwolken en licht groene lentebladeren.’’ Ik bedenk een Braziliaans muziekje op het ritme van de piepende fiets van de student die voor me rijdt, leg een lekker lente-achtig kleurfiltertje over de loodgrijze regenluchten. Ook de twee mollige vis-broers op de Tongersestraat staan er weer mooi bij in Zeemanblauw en smoezelig wit vandaag. Hun glimmende gezichten uitgelicht in het blauw van de lichtbak en op het zilver van de duizenden sardientjes in ijs zou een prachtige titelanimatie passen. Een Lasse Halströmpje.

Alles is een scene, een fragment. Ik laveer tussen de ruis van audiosporen, kleuren en halve dialogen – en doe de boodschappen voor het avondeten. Alle vervelende scenes, mensen en geluiden filter ik er lekker uit, nu mijn hersenen dat nog toelaten.

Want soms is de echte wereld net niet de film waarin ik wil ‘rolschaatsen’. Dus ik erase alle Trump-Erdogankrantenkoppen, de buurman met de flexzaag-, de roddelende collega-, de meneer die een bejaarde bijna van haar looprek reed vanochtend.

En ik maak freeze frames van alles wat glimlacht, bloeit en in maximaal 60 frames per seconde is te verhapstukken.

Cut – rewind – pan en zoom (out) – erase – no (light) filter – fade in – renderen.. en nu een kopje koffie en dan weer lekker mijn rolschaatsen aan. 😉

De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

De zon schijnt, ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkelt in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen die hen omringt. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op afgezaagde stoelen in de zon. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de Espana, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

 

 

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Gucci en een engel zonder sokken

 

unknown

We zijn vandaag bij een Chinese restauranthoudster die van Deventer naar Blerick verhuisde  om een Thaise buurtwok en een mini buurtcafé voor niet claustrofobische rokers en gokkers te beginnen. Haar beste stamgast is een gepensioneerde Turk uit Deventer, die door andere economische omstandigheden in Blerick belandde. Hij drinkt overdag een kopje koffie of drie met haar en ‘s avonds een biertjes of vier in de minibar.

Beiden spreken belabberd Nederlands, maar toch hebben ze elke dag uren stof tot praten.

En opeens zag ik het: het was het goudstof dat een magische band tussen de twee vormde.

Ik complimenteer de Turk met zijn zwarte gympen met gouden neuzen en bijpassende Gucci-pet. “Ík hou van mooie merkdingen. Allemaal uit China, echte merk ik kan niet betalen.” De Chinese achter de bar giechelt en speelt met de dubbele Gucci-C’s aan haar gouden halsketting.

We eten kiploempia’s als werkontbijt, terwijl de Turk wat make-over adviezen geeft aan de Chinese, voor haar camera interview: ‘Ik ga ook scheren de volgende keer. Jij moet een beetje make up. is beter gezicht.’

We kopen kwarktaart bij de Poolse winkel om de hoek , waarvan de eigenaresse geen enkele taal spreekt die ik wel spreek, maar wel zeven soorten heerlijke cheesecake verkoopt en goedgeluimd achter haar jaren zestig toog staat.

De kwarktaart geef ik aan de buurtzwerver zonder sokken en hoog opgerolde broekspijpen die elke draaidag hier minimaal drie keer door het beeld loopt, of ergens in het hoekje van het beeld uit de vuilnisbakken bij de Aldi staat te snoepen. Hij hoort al een beetje bij de film. Of misschien is hij een engel. Engel zonder sokken.

Blerick. Zie hier. De geslaagde multiculturele samenleving op een halve hectare. Uitgegleden in de cohesie, gastvrijheid, openhartigheid, gestruikeld over verhalen en eenzamen. De wereld van nu in een notendop. Mooier kan ik het niet maken.

#Zilvermeerkinderen #hometown #film

 

Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een draaidag op oud bekend terrein voor mijn nieuwe voorjaarsdocu Zilvermeerkinderen.

Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas.Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

Vandaag geen zon in Solwaster

P1010892.JPG

 

In mijn fantasie vind ik België een soort Zuid Spanje naast de deur. Van het gemoedelijke tot de simpele pure kost die de herbergen en bruine kroegen vol lelijke boerenkoppen serveren. Het Carpe Diem gevoel dat op geheel eigen wijze in de praktijk van het dagelijkse leven irritaties oproept bij ons, ‘’opgeruimde’’ Nederlanders. De pleurisbende in het boerenland, de mix van oeroude stenen huizen en oerlelijke nieuw-geld villa’s. Als ik aan België denk, zie ik Jacques Brels gulle mond in zwart wit zoals ik Cameron voor me zie in een wit betegeld buurtkroegje als ik ergens in de Bahia de Cádiz ben.

We waren twee dagen in België. Misschien had ik het huisje in Solwaster gehuurd omdat ik kerstmis zo graag wil overslaan soms. Misschien omdat ik net in enkele dagen mijn verloren gewaande Carpe Diem hervond in zo’n wit betegeld kroegje vol lelijke koppen in Spanje en ik dit gevoel nog even wilde oproepen, op rijafstand.

In Solwaster kreeg mijn voortdurend valse nostalgie producerende ziel een winterse, ontnuchterende regenbui over zich heen. Solwaster was bruin. Nat. Leeg. Grijs. Het huis was mooi. Te mooi. Alsof ik even in het huis van een gegoede Nederlandse familie met een investeringspandje in de Ardennen mocht logeren, omdat ik al tien jaar golfde met de vrouw des huizes. Alles was er. Zelfs een raclette set en een kerstboom met een tijdklok. Om 16 uur ging kerstmis aan en om 22.30 uur weer uit. Hartelijke eigenaren. Zorgzaam. Schoon. Vriendelijk. Good looking. Mensen met smaak. Het gastenboek van de Bijenkorf vol dankbare kreten van prachtig en comfortabel, indrukwekkende natuur. Wandelroutes 55 en 58 een MUST. Ik wil niet musten. En alleen gekken wandelen in de regen in de bergen zei Blas altijd. En hij kon het weten.

Maar waar was Jacques Brel?

Ik werd best verdrietig opeens daar in België. Zoals ik ook wel eens verdrietig word als ik in een stad loop waar de winkels en mensen en honden zo op elkaar lijken, dat ik vergeet in welke stad ik ook alweer was. Dit had in elke mooie plek op een toeristische route in heel Europa kunnen zijn. Nou ja, op de plaatsnaam, het weer en de wegbewijzering na dan.

De zware geest van mijn moeder op mijn schouder die altijd zei: Vertrouw nooit een Belg’, terwijl haar voorvaderen uit Liège kwamen. Fragmentarische herinneringen van een kil slaapkamertje met strakke spreien en hard plastic poppen met dode ogen en verknipte gelige pruikjes waar ik met een paar wildvreemde achternichtjes door hun moeder gescheiden werd van de gezellige volwassenwereld in de huiskamer. De markt in Luik, waar we gingen griezelen bij de man die tweedehands kunstgebitten verkocht.

Mijn moeder die geen woord Frans verstond, moest altijd huilen als ze Jacques Brel hoorde. En ik vond dat hij op ome Mart leek en een beetje op mijn vader. Dat huilen begreep ik niet zo, noch de teksten.

Nu huil ik ook bij Jacques Brel. Misschien word ik ouder, misschien zit er ergens een Belg verstopt, achter mijn Verspaanste Venlose hart. Of lijk ik toch gewoon op mijn moeder die altijd treurig werd in Belgie.

Onze benedenbuurman in Solwaster bleek een Spanjaard en tevens uitbater van de dorpskroeg. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het licht zag aanspringen. TL-licht. Jacques, Cameron en een beetje zon braken door. Ik vind het normaliter erg aanstellerig om Spaans te gaan babbelen als je je belabberde Frans zou moeten oefenen, maar de woorden rolden gewoon uit mijn mond, ook al was de soep van de dag (sinds decennia waarschijnlijk) Franse uiensoep en de inrichting uit een horecacatalogus van een bedrijf in Verviers dat ergens in de jaren tachtig failliet moet zijn gegaan.

Aan een TL balk alleen kun je je niet warmen.

Hoe vaak had ik zelf die vraag verwenst als mensen uit Nederland in Cartajima hem aan mij stelden: ‘Hoe ben je HIER in Godsnaam terecht gekomen?’ Ik werd door die vraag destijds een soort wandelend pre-ik-vertrek-format. En mijn verhaal werd steeds korter. Kort voordat ik terugkeerde naar Venlo, zat ik al op twee woorden:

Carpe Diem (en een weids gebaar naar de wit betegelde en zonovergoten wereld om me heen)

De vraag drong zich toch op. De Spanjaard leek ook een beetje treurig, uitgeblust in de winter-regens van Solwaster. Misschien kon ik hem en mezelf even opvrolijken. Moerstaal, zon.

¿Cómo se acabó aquí en Solwaster?

Hij zuchtte: ‘’Via een weekje vakantie in Malaga 31 jaar geleden, toen ik mijn vrouw leerde kennen en ben meegegaan.’’

Ik bestelde twee carajillo’s met koffie

‘Mujer. Ik serveer geen carajillo.’

Geen zonlicht vandaag.

Ik drink duistere rum uit Capo Verde met koffie en als ik mijn neus in het glas rum steek, wenste ik dat ik in Cuba was. Capo Verde lijkt me niks. Met mijn mannen, Jacques en Cameron. Of gewoon lekker thuis in Eindhoven. Op de bank met een slechte kerstfilm, mijn mannen en Lonnie de kat.

Bij de grens van Nederland klik ik op de nieuwsberichten. De zon breekt door en we laten het regengordijn van België achter ons. George Michael is dood. Iedereen treurt.

En later zeg ik misschien ooit. Ja, ik herinner me nog goed toen George Michael stierf. Op de grens van België en Nederland reden we toen. Iedereen treurde, waar ik was alleen maar blij dat de zon doorbrak en we door mijn Limburgse land door een spiksplinternieuwe tunnel terug naar huis reden.

Nee, Carpe Diem is toch geen tegelspreukje. Het is ook een beetje verdrietig zijn in Solwaster. Of samen thuiskomen als de zon doorbreekt.

 

Foto: een verdwaalde kabouter in het natte bos bij Solwaster.

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.