Laatste voorstelling. Wat schok det?

Uitnodiging Huiskamer Bios - Droomwijk - 21 nov-1

klik hier voor de trailer

 

Droomwijk, de allerlaatste voorstelling

Toen ik 10 jaar geleden een telefoontje kreeg van iemand met een bekende-beruchte Venlose achternaam die vroeg: ”Kin ik zo’n DVD-tje kaupe van die fillem euver Genuuje? En wat schok det?” wist ik nog niet dat ik voor een tientje een hele bevolkingsgroep van Venlo Noord, Zuid en Oost van een illegale kopie van mijn film Droomwijk zou voorzien. Een mooi staaltje organische distributie! Zelfregie in de meest elementaire variant.

De jongeman kwam de DVD dezelfde ochtend nog persoonlijk afhalen en betalen en heeft dezelfde middag nog zijn DVD-brandertje aangezet, zo bleek later. Zo iemand zouden ze bij L1 moeten aannemen, de distributie van mijn films zou er zeker wel bij hebben gevaren ”Ze hebbe mich auk gefilmp, met de kieluf, maar ik bin d’er neet ingekome.” zei hij alsof hij daarmee zijn mede-eigenaarschap van de film alvast wilde verdedigen.

Enkele jaren later kom ik mijn film weer tegen, deze keer in 8 delen geknipt en rechtstreeks van het tv-scherm opgenomen en op een buurt-Facebookpagina gezet door een andere ijverige inwoner, een hobby historicus. Ok, ik geef toe, het is natuurlijk hartstikke hufterig als mensen je werk illegaal kopiëren en al helemaal als ze het in stukken hakken en slecht kopiëren, maar alaaf. We zijn in Venlo, daar gebeuren dit soort dingen.

Als ik mijn eigen verliezen en irritatie niet meereken, gebeurt er hier wel iets heel komisch en moois! Namelijk, door die film wordt er een verhaal doorgegeven op de manier die helemaal past bij de doelgroep. De film maakt een reis van kofferbak naar DVD-brandmasjien, via tante Corrie en de kleinkinderen van Sjaan of Bear, de reis die het zou moeten maken. Ok, ik krijg er geen lintje of award voor, maar ik ben zelden zo trots geweest op een film als deze, al is het alleen maar vanwege de onvoorstelbare reizen die hij heeft gemaakt inmiddels.

In de tijd waarin ik Droomwijk maakte, was ik ervan overtuigd dat ik met deze film iets wezenlijks zou kunnen veranderen in het denken van ambtenaren en andere partijen in de wijk. Geen onbescheiden ambitie, tikkeltje naïef volgens sommigen, maar alaaf, ik kom uit Venlo en als je daar niet in je eigen sprookjes en ambities gelooft, komt er niks van de grond.

Het duurde even, 10 jaar om precies te zijn. Maar nu kan ik eindelijk met trots zeggen dat Droomwijk een geslaagde film was in een aantal opzichten. Hij belandde in collegezalen van verschillende universiteiten en post- academische opleidingen over stedelijke transitie; hij werd 4 x uitgezonden op L1 en 1 x op Omroep Venlo en heel goed bekeken. Hij trok de grote kerk in Venlo Noord vol buurtbewoners in 2008, waarna een spontane buurtparty in de Witte Kerk aansluitend. Een award in Hongarije en een plekje in het Urgenda programma van de erasmus Universiteit. De film werd in Amsterdam vertoond aan o.a. politie, maatschappelijke professionals en wijkprofessionals in programma’s rond wijktransities en burgerparticipatie.

Er werden in totaal 1.000 DVD’s verkocht exclusief een onbekend aantal vanuit de kofferbak van X. De serie Droomwijk in 8 delen op Facebook is 100-en keren gedeeld door bewoners en oud bewoners van de wijk.

En dat allemaal met NUL budget voor distributie, marketing, PR. Gewoon omdat het kan.

Met het dupliceren van mijn werk, ofwel het stelen van mijn auteurs- en distributierecht van deze film gooit de ongehoorzame burger zelf gewoon de Pyramide om. Een onbedoeld en spontaan kantelwerkje waar sociologen en nieuwerwetse beleidsmakers en misschien zelfs Jan Rotmans een beetje opgewonden van zou mogen worden: de eigenaar van die dure DVD-brand-toren en zijn grote familie en kennissen-netwerk staat hier bovenaan de pikorde; dan de bewoners die bepalen hoe en wanneer (en via welk kanaal) ze de film willen zien. En dan pas de ambtenaren die dit project wilden integreren in hun nieuwe visie op nieuwe visies, de woningstichtingen die dit project heel even omarmden vanwege het grote regie-loslaat-trend en het nieuwe authentieke communiceren-beleid. Hoe bottom-up wil je het hebben?

Het verhaal van de burger distribueert zichzelf. Gewoon vanuit de kofferbak en op de verjaardag bij tante Sjaan. Zonder verdienmodel, zonder risico’s op bestuurlijke ruzies of beleidsmakers-gekissebis, zonder plan of programma, praatje van de wethouder. Dat is mooi, want dat is hoe het is.

Cradle-to-Cradle pur sang als je het mij vraagt: je maakt een film en die wordt in het DNA van de stad opgenomen via het DVD-brandmasjien van X, die er nog vele jarige familieleden en buren blij mee maakte.

Woensdagmiddag zal de ALLERLAATSTE voorstelling zijn van Droomwijk. Tien jaar later. In de Witte Kerk in Venlo Noord, ofwel op plaats delict. Zo is de cirkel rond. Met dank aan Karin Bartels, de kunstenares die deze voorstelling organiseerde in kader van CALL.

Hoogleraar emeritus Jac Geurts, oud bewoner van de Venlose wijk en als socioloog in de film aan het woord, komt in levende lijve zijn Venlo-Noord verhaal vertellen ter intro. Een bijzondere middag met sterk verhaal gegarandeerd.

  • Woensdag 21 november
  • 14:00 uur
  • De Witte Kerk, Venlo Noord (Agnes Huijnplein)
  • 3 euro inclusief koffie of thee.

Neem je buurvrouw, je moeder of je tante of je reclasseringsambtenaar mee. En een zakdoek.

 

Een ode aan Sintermertes Veugelke

Voor J.

f5f925001442ee12d899411a7ac8344dfdc9734d

”Leuk he, die lichtgevende schoenen van die kinderen.”

Ik vond het helemaal niks, die fluorescerende LED-zenuwzooltjes in het donker. Ik wilde een rij kinderen met lampionnen en luidkeels meebrullen met ”Sintermertes veugelke” zoals ik dat vroeger ook deed. Ik wilde geen kinderen volgehangen met LED lampjes van de Action! Fakkels en rijstpapieren lampions waar een week lang bloedserieus aan gewerkt was! Dat wilde ik zien vanavond! Want ik had me er 20 jaar op verheugd om weer eens Sintermerte te zien.

Ik had zojuist een half uur lang doorgezaagd over een paar van mijn beste jeugdherinneringen: de prachtige Venlose Sintermerte-optochten en -vuren.

Eerder die dag had ik al proberen uit te leggen dat we in de wintermaanden en rond Sint Maarten als kinderen altijd ”wierksten” op straat; we slingerden met lege conservenblikken met gaatjes en gloeiende kooltjes aan een lange ijzerdraad rondjes, om een aardappel gaar te poffen, die onze moeders voorgekookt hadden, omdat het anders veel te lang duurde. Later deden we er ook weleens andere dingen in, zoals een plastic Smurfje met nagellakremover van onze oudere zussen, of koffiemelkpoeder, dan kreeg je vliegende blauwe vlammen of een cirkel-steekvlam.

Ik had er niet zo heel veel indruk mee gemaakt, merkte ik. Maar dat ging ik vanavond goed maken met het prachtige Sintermertesfeest. 

Zodra ik het gevoel van tradities zoals wierksen, sintermerte en vastelaovend probeer uit te leggen aan iemand van buiten Limburg, loop ik hartstikke klem tussen mijn nostalgische beleving van vroeger en de rauwe werkelijkheid van de moderne tijd. LED is het nieuwe kaarslicht, wierksen klinkt alsof ik drie eeuwen oud ben en in een vochtige grot geboren, vastelaovend krijg ik alleen nog maar uitgelegd als ik iemand dwing naar de film ”Truuk noa ’t Zuuje” van Rob Hodselmans en Lex Uiting te kijken en Sinter Merte lijkt ook al niet meer wat het in mijn herinneringen was, nu ik mij een ongeluk moest zoeken naar een lampion of zingend kind.

”Dus hij heeft ook een paard? Geen mijter? Geen schimmel? Maar wat doet hij dan met die mantel?”

”Het is een Romeinse Soldaat geloof ik. Hij snijdt zijn mantel in twee stukken en geeft die aan een arme bedelaar die het koud heeft.”

Nu leek hij een beetje onder de indruk.

”En dat doet hij allemaal op dat paard bij dat vuur? Een halve mantel? Maar die bedelaar kan zich toch warmen aan dat vuur? Het is nu al bloedheet hier.”

Ik gaf het op. Soms word je als Limburger nu eenmaal niet helemaal serieus genomen. Sintermerte moet je zien. Of beleefd hebben.

”Wacht maar af, je ziet het vanzelf.”

Het vuur begon al aardig volume te krijgen en we wachtten geduldig op het steigerende paard met die wilde en jongere, Romeinse variant van Sinterklaas, die in een groots en theatraal gebaar zijn mantel zou afzwaaien en aan een geknielde man schenken, geflankeerd door honderden kindertjes en ouders die luidkeels ”Sintermertes Veugelke – Haet ein roed wit keugelke” zongen. Ik voelde de brok in mijn keel al groter worden bij het vooruitzicht. Dit lied, een lied waarvan niemand sinds 1928 eigenlijk de tekst begrijpt, maar wel onthoudt, maakt Sinterklaas Kapoentje tot een minkukel, legde ik uit.

Ik vond Sintermerte als kind al een stuk leuker dan Sinterklaas. Hij had geen zak, geen groot big-brother-is-watching-you-boek en geen zwarte pieten of ongeloofwaardig verhaal over schoorstenen en wortels in je schoen. Ik wist al vanaf mijn 5e dat de GoedHeiligman Nummer Een gewoon de voorzitter van de buurtvereniging was, of juffrouw Ans met een diepere stem en een baard. Bij gebrek aan iets om in te geloven ben ik destijds al overgestapt naar GoedHeiligman Nummer Twee: Sintermerte. Want niets uit zijn verhaal leek een leugen. En ik hield altijd al van overzichtelijke feesten en verhalen: 1 lied, 1 vuur, 1 Heiligman, 1 lampion, 1 avond. Lekker duidelijk.

Het vuur begon alweer aardig over haar hoogtepunt heen te raken en de ouders met jonge kinderen druppelden weg, de donkere avond in en terug naar warme huiskamers, grote LED-tv’s en pyjamaatjes. Met enige moeite klom ik uit mijn nostalgische euforie en aanvaardde het heden: Goed-Heiligman-Nummer-Twee, zijn paard en bedelaar waren wegbezuinigd. De fanfare en het kinderkoor, waarvan ik vond dat ze perfect in toon en ritme bleven, bleken uit de luidsprekers te komen van een Daihatsu die langs de weg geparkeerd stond. En toch waren er een paar honderd mensen op de been, die allemaal een beetje genoten hadden van dat grote vuur. Datdanweerwel.

”Wel apart hoor, zo’n groot vuur met verder niks erbij. Kijk, daar lopen die kids met die LED-schoenen weer!”

Op de terugweg naar huis, zag ik een bedelaar zitten bij de stille roltrappen van de Jumbo; in elkaar gedoken onder een grote jas. In de verte meende ik hoefgetrappel te horen en het hinniken van een paard. Maar dat kon verbeelding zijn geweest..

 

ps: in onderstaand filmpje (van voor mijn tijd) zowel de traditie van het wierksen, Sintermerte en het prachtige lied Sintermertes Veugelke 😉

Sintermertes Veugelke in Venlo 1924 en 1939

Influencersmarketing: worden wij als de Chinezen?

orwell

In China gaan ze vanaf 2020 de burger digitaal monitoren. Een pilot loopt al, met echte oefenburgers. 1.3 miljard Chinezen wonen er in China. George Orwell klimt van schrik uit zijn graf, want hier hebben we de volledig opgepoetste Big Brother 4.0, waar zelfs de bedenkers van Black Mirror zich van achter de oren krabben. Een nieuw game-level in onze datadictatuur: belonen of straffen op sociaal gedrag, maatschappelijke participatie en burgerlijke gehoorzaamheid. Stel je eens voor; punten verdienen voor het inslikken en verspreiden van staatspropaganda, je vuilnis op tijd wegzetten en een goede daad verrichten. Enge bedoening. Maar dat is in China. In Limburg heb ik nu de microvariant gevoeld: Ik werd uitgenodigd als (vak)mens met inzicht en enkele dagen later weer van de gastenlijst gekiept als datagehandicapte, omdat ik onvoldoende punten bleek te scoren online via mijn social media. Afgeserveerd na een online snelheidscontrole door de Social Media politie. Inzicht is voor ouwe baksels, de wereld draait nu om insights. 

”Wij stellen uw aanwezigheid zeer op prijs!” stond er in de enthousiaste uitnodigingsmail voor een persreis ter introductie van een nieuwe route-app. De persreis werd georganiseerd door een marketingbedrijf dat in opdracht van Provincie en andere toeristische gebiedspartners een stuk van Limburg vernieuwend op de kaart wil zetten. Natuurlijk zou het op prijs worden gesteld als wij, de genodigden – ook wel influencers genoemd – positief zouden berichten over de app en de route, mailde de organisatie.

Mooi. Ik blokte de dag in mijn agenda en bevestigde mijn deelname per mail. Er was zelfs een onkostenvergoeding voor de deelnemers en ik hoefde niet mijn eigen boterhammen mee te nemen. ”Wat leuk dat je meegaat!” Schreef de enthousiaste medewerkster terug op mijn aanmelding. ”Mijn collega neemt nog contact met je op voor de verdere afhandeling.”

Deze collega, specialiste in afhandeling naar later inderdaad bleek, vroeg mij enkele dagen later om de bezoekersdata van mijn social media-kanalen; de zogeheten analytics & insights. Oei. Een lastig puntje, want mijn Facebook, Instagram en Blog bestier ik op persoonlijke titel en ik heb geen tools in huis om zulke data-analyses te maken. Had het wel gekund, had ik het ook geweigerd, want ik zag eigenlijk niet in waarom ik met mijn private digitale databillen bloot moest om als filmmaker of blogger te mogen meegaan, op een door mijn eigen provincie gesponsorde persreis waar ik al voor uitgenodigd was.

Haar volgende mail was zo duidelijk als een stuk hout op je hoofd: ”Helaas kunnen wij geen samenwerking bij deze persrelease aangaan met je. Wellicht kunnen we in een ander project gebruik maken van je diensten.”

Huh? Diensten? Samenwerking? Maar ik was toch uitgenodigd? Had ik dan alles verkeerd begrepen? Waarom word ik dan uitgenodigd in the first place? Dat die 30 likes op mijn kiekje van de Maas met hashtag #Limburg op mijn Instagram geen mensenmassa’s naar een nieuwe Limburgse Point of Interest-route zal lokken, snapt mijn kont ook nog wel. Maar…om mij zo gemakkelijk af te schepen zonder een online kijkje te nemen in mijn werkverleden, waaronder 25 jaar (Limburgse) filmzalen, (Limburgse) festivals, (Limburgse) media, blogs, podium-discussies, interviews, lezingen, opdrachtfilms en exposities in Limburgse musea. Heel even voelde ik mij een argeloos afgedankt, nutteloos, analoog meubelstuk dat niet meer in de hedendaagse hedonistische data-entourage past.

Ik ga te rade bij de betere marketing-Goden bij Dr. Google. Mijn probleem is, volgens een Amerikaanse collega, dat ik een nano-influencer ben met een verregaand specialisme. Heb ik weer. Nano-Nabben. Enigszins gerustgesteld dat ik toch een naam heb in Data-rijk, kruip ik lekker in mijn mega grote bed en tel mijn laatste Instagram-likes even. Vijf stuks vandaag, dat schiet niet op. Sorrie Limburg!

Duizenden online communicatieprofessionals blinken uit in massatrends volgen, risicoanalyses, veilige prognoses voor opdrachtgevers toveren en economische algoritmes in diensten, producten en gebieden pompen. Bloggers worden reviewverkopers, bartering-sletten. Instagrammers worden ambassadeurs van schoenen, gezondheid, roze olifanten, regio’s, perfecte levens of maken gewoon zachte propaganda voor overheidsinstanties. Natuurlijk vraag ik mij weleens af of ik als Nano Nabben in deze tijd van koude data-analytics en massa-propaganda nog wel van algemeen inzetbaar nut in de communicatiebranche ben? Soms overweeg ik dan ook om mijn ziel te gaan verkopen aan de brand-managers, strategisch online content specialisten. De verleiding is groot. Waarom zou ik een mens zijn als ik ook een merk kan wezen?

Maar als ik mijn innerlijk insight en analytics echt laat spreken, blijf ik toch liever wie ik ben. Nano-mezelf in het grote Limburg, dat na deze persreis wellicht, zoals het Outlet Centrum in Roermond, ontdekt zal worden door de Chinezen.  dan is deze cirkel ook weer rond.

 

Wil je weten hoe dit er in China in 2020 ongeveer in de praktijk uit gaat zien? Doe dan deze TEST van de NOS 

#delenisgezelliger

Een clochard in Parijs en drie Marokkanen in Lelystad

boswijkfoto: wijkraad Boswijk Lelystad – havenkom.

 

We zijn verdwaald ergens op het water tussen Dronten en Almere Haven. Dat daar ook Lelystad ergens tussenin lag, wist ik niet. Ik was nog nooit eerder in deze contreien en had als Limburger het idee dat Almere en Lelystad een pot nat waren: een grote klont ongezellige beton in een grote plas ongezellig water.

Maar het leven kent vreemde zijpaden en zo ben je opeens een verdwaalde Limburger op een boot met een Zwollenaar, ergens op een kanaal. Je maakt wat mee als je eens een provinciegrens oversteekt.

Ik hou van verdwalen, dat heb ik van mijn moeder. Die hield er niet van, maar ze heeft me wel de kunst van het verdwalen in de genen meegegeven. Mijn vader, die ook geen best oriëntatievermogen bezit, reed ons gezin in de jaren zeventig  – met mijn moeder kaartlezend (niet dus)- ooit vier keer door het spitsuur van Parijs over dezelfde rondweg. We wilden helemaal niet in Parijs zijn. Stel je voor, een auto met 5 kinderen en een aanhangwagen vol tentjes en slaapzakken, luchtbedden. (Het was nog in de tijd toen luchtbedden van dikke gestoffeerde rubber waren en 3 kilo per stuk wogen.) Uiteindelijk, na alweer een rondje afslag gemist, belandden we midden in het drukke centrum van Parijs. We moesten ergens richting Marseille zijn, al wisten we met z’n allen waarschijnlijk niet eens waar dat precies lag. Het was nog in de tijd toen onze vaders nog op borden en gevoel naar de andere kant van Europa reden met een kluit mekkerende kinderen achterin. We werden uiteindelijk gered door een liftende zwerver. Een van mijn zusjes sprak vier woorden Frans en met de vrolijke zwerver tussen de zussen en broer op de achterbank geperst, reden we ons – A DROIT – A GAUCHE – NO A DROIT! – helemaal klem in het centrum van Parijs. De zwerver stapte uit op zijn plaats van bestemming, bedankte ons vrolijk en zwaaide ons uit, richting de afslag naar de autobaan richting Marseille. Ik, achterin de kattenbak van de stationcar op de slaapzakken, vond het een geweldig avontuur. Van de rest van die vakantie kan ik me weinig herinneren, maar deze helse dwaling door Parijs, met mijn vader scheldend achter het stuur, die meurende zwerver tussen mijn gruwende zussen in die ons schreeuwend door de verkeersdrukte loodste, zal ik nooit meer vergeten.

Ok ik dwaal af. Dat was Parijs. En toen was ik 8 jaar. Ik geloofde er heilig in dat elke (ver)dwaling een mooi avontuur op kon leveren. En dat elke (ver)dwaling een uitstel was van de executie der saaiheid. Nu geloof ik dat nog steeds. Ik hou van een (ver)dwaling of zijpad op ’n tijd. Want als je de route even loslaat, gebeuren de leukste dingen. Wie goed verdwaalt, die goed ontmoet.

Terug naar de boot. Het kanaal loopt dood midden in een levendige woonwijk. Nooit gedacht dat Almere zo levendig zou zijn. (Dat bleek later dan ook te kloppen, want we zaten in Lelystad.) Een klein druk plein met trappen naar het water, omringd door flats en sociale woningbouwwoningen van het minder gezellige type. En toch gezelligheid. Bankjes waar mensen op zitten met een boek, of zomaar met elkaar te kletsen, stoepjes waar kinderen spelen, mensen die kuieren. Nergens een bordje ”verboden te… ”. Een oase van ambtelijk loslaten avant la lettre, dit stukje beton in Almere – uh Lelystad? Ik schiet er bijna vol van. Op het terras van de buurtkroeg staat een uitbundige club kale kerels glazen bier te hijsen, het terras van een Marokkaans couscous Restaurant wordt geveegd, ik zie een tattoo-shop, een Turks eethuis en een frituur. ”Frietje?” vraagt mijn dwaalkapitein die mijn gedachten kan lezen. Ik overweeg heel even couscous met een tattoo als toetje maar ga toch voor het frietje.

Ik vraag aan een paar Marokkanen op het bankje bij de boot, of ze even op de boot willen passen, die we aan een prullenbak naast hun bankje hebben vastgebonden, bij gebrek aan aanlegpalen. De jongemannen kijken me in eerste instantie enigszins wezenloos, maar niet onvriendelijk aan, dus ik leg uit dat we een frietje gaan halen aan de overkant. Als het drietal vrolijk ja knikt en zegt dat we ons geen zorgen hoef te maken, denk ik heel even: ”Inshallah, إذا لم يسرقوا قاربنا! (‘iidha lm yasraquu qaribana!)*

We keren weder met frietjes naar de niet gestolen boot en genieten nog even na van de gezellige sfeer aan wal. Als we tegen zonsondergang wegvaren, ben ik drie vooroordelen lichter over Flevoland, Marokkanen op een bankje in de publieke ruimte en levendige woonwijken. En nu ben ik razend benieuwd naar Almere.

De wereld is zo slecht nog niet als je zo af en toe verdwaalt.

Meer verhalen over verdwalen lezen? In Spanje was ik (ver)dwaal-specialist bij uitstek. 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

De weg naar Plasentia

De Gonzalodagen – een wilde flamenco-rit

 

 

 

 

Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

Luchtpost

 

images

Een brief van overzee leest altijd anders dan een ordinaire mail van de om de hoek. Mijn moeder stuurde me in Spanje altijd lichtblauwe luchtpostbrieven. NIet dat het nodig was, maar ze vond het mooi. Net als ik, hield ze van de romantiek van Juan de postbode die helemaal naar de stad moest rijden voor haar brief, mij dan op zijn brommer of ezel kwam uitnodigen in het postkantoortje van zijn moeder, waar die blauwe brief lag. Juans moeder die mij vervolgens vroeg om haar de brief voor te lezen al verstond ze er niks van.

Een blauwe luchtpostbrief was als een geschenkje uit de lucht, een cadeautje van een plek waar ik me soms heel ver vandaan voelde. En niet alleen voor mij, ook Juan, zijn oude moeder en de vrouw van de bakker hadden een goeie dag als ik een blauwe enveloppe kreeg.

De kleine bolle letters, die naarmate de brief vorderde minder witruimte kregen in de breedte en van het papier afglipten op het einde van de te lange zinnen. Het knisperende papier als je de envelop voorzichtig openvouwde. Soms meende ik zelfs de geur van mijn ouders huis in het papier te ontwaren. Er zat een zekere tederheid in een luchtpostbrief.

De onderwerpen waren koetjes, kalfjes, soms een geboorte, een dode en meestal eindigend met ”het gaat hier zijn gangetje”. Er waren geen diepe analyses, geen vragen, maar een volledig gedetailleerde omschrijving van de verzamelde levens van mijn zussen, broer, ouders, buren, kleinkinderen of soms zelf mensen die ik niet eens meer kende.

Zo’n brief was mijn substituut voor het normale familieleven dat ik in de afgelegen bergen niet leefde. Zo’n brief waren 30 kopjes koffie met mijn moeder aan de keukentafel, 15 ritjes van Venlo naar Blerick. 100 diepe zuchten. 15 zachte zoenen op mijn wang als ik weer wegging. 15 kopjes soep. 15 x ben je wel voorzichtig?

De mooie blauwe ogen –dezelfde kleur als het luchtpostpapier – en de kleine oude hand van Catalina als ze met een plechtig gebaar de brief voor me neerlegde. Cuentame! Zei ze, terwijl ze twee kopjes cola-cao maakte en het vel van de melk voor me eraf roerde. En ik las voor, in het Nederlands, over hoe mijn moeders leven haar gangetje ging, inclusief geboortes, af en toe een dode en een oninteressant verhaal over iemand die ik niet meer kende.

Al verstond Catalina er niks van, ze pinkte altijd een traantje weg tegen het einde.

Als ik wegging gaf ze me twee zachte zoenen op mijn linkerwang.

En zo keerde ik terug naar onze vallei, met een blauwe brief vol tranen en een onbestemd gevoel dat tussen heimwee en weemoed hing.

We digitaliseren. En dat is mooi, maar nu ik een oude luchtpostbrief van mijn moeder in mijn handen heb, voel ik weer dat onbestemde: tussen heimwee en weemoed. Mijn moeder en ik. Samen waren we de allerlaatste luchtpostpenvriendinnen.

 

Just a normal day?

Unknown

Buiten is alles normaal. Fietsers fietsen, vrachtwagens lossen, een hond pist tegen het bord van de Jumbo. Just a normal day.

ME busjes. Knuppels. Ik kruis mijn blik met een man met een oortje in en een kogelvrij vest aan – niet onaantrekkelijk kaal – net als in de film. Opgefokte jeugd met telefoontjes, heel opvallend en toch ongezien – lopen zich vast in een oploopje. Verdwijnen tussen schouders en capuchons. Stemmen vol adrenaline, bleke, boze gezichten van mannen, ooms, neven, buren. Bloemen op straat. Alweer opwaaiend cellofaan. Een huilende vrouw. Waar hij lag. Met een opgetrokken knie. Te jong en te dood. Boosheid, verdriet, begrijpelijk maar beangstigend. Een groepje agenten trekt een sprint naar een onzichtbare finish om de hoek. Omroepbusje, twee nerveuze cameramannen met een veel te zwaar statief.

Twee straten verderop. Uitgestorven. Mijn vader luistert radio. De kranten op tafel, een halve kop thee. De hond slaapt, hij lijkt wel dood, maar ik durf niks te zeggen. Hij hoort me denken en zegt: ”17 jaar en 4 maanden is hij nu.” Een hond van de dag. De hond zucht diep en ademt uit met een rochel. Apneu misschien. Opluchting. Niet vandaag aub.

”Ik ga de hond uitlaten, dat beest moet pissen.”

” Zal ik even meelopen?”

”Nee gek, ze zijn nu wel klaar met schieten.”

”Ga je niet te ver?”

”Nee kind.”

Ik blijf achter met het nieuws op de radio en volg mijn vader en hond vanachter de vitrages. Onrust in Blerick, daders voortvluchtig, bewoners boos, na de reclame. Ik pak mijn camera en film mijn vader die helemaal alleen over de verder lege straat slentert, in gedachten verzonken.

”Ben je niet bang?” vraag ik als hij terug is.

”Als mijn tijd gekomen is, dan is dat zo. Ik ben niet bang. En ik zeg nog steeds iedereen in de buurt hallo. Of ze dat nu gek vinden of niet. Kijk je wel uit op de terugweg kind?”Hij legt een oude beddensprei over mijn camera die op de bijrijdersstoel ligt.

”Je moet die auto eens wassen en uitmesten, wat een puinhoop kind. Ben voorzichtig.”

”Jij ook pa.”

Ik beloof beter tegen beter weten in. We lachen. We zoenen. Ik toeter, hij zwaait. Ik rij. Met een hele grote boog (van een kilometer of twaalf) om de realiteit en de boosheid heen. Ik wandel, ik winkel, ik werk, steek een kaars aan, maak spaghetti carbonara, ik bel met vrienden, drink een borrel, kijk het nieuws, draai Lou Reed.

Maar het helpt niet.

Ik pak een boek. Een grappig boek. En val na de titel uitgeput in slaap op de bank. Ergens tussen ontwaken en echt wakker worden zie ik door mijn vitrage de wereld die een fractie donkerder lijkt dan gisteren rond deze tijd. Mijn kaars brandt nog. Mijn ogen moeten nog wennen aan het nieuwe donker. Voorzichtig tast ik mijn verse herinneringen af op de valreep van de zonsopgang.

Buiten fietsen fietsers. Een vrachtwagen lost zijn vracht, bovenbuur klettert een ochtendplas. Aarzelend omarm ik deze dag. Just a normal day

 

Nummer 152, de halve gare eend

frogduck

Het was een goeie, maar lange dag. Dus ik loop mezelf een paar kilometer rustig. Althans, dat is het voornemen. Na een kilometer loop ik achterop een grote groep Chinezen. Ik vertraag mijn pas en probeer een gaatje te zoeken in de muur van ruggen om in te halen.

Onbegonnen zaak, dus ik probeer me aan te passen aan hun tempo en fantaseer 500 meter lang dat ik een Chinees ben, op bezoek in Nederland. Wat doen Chinezen op een mooie zomeravond in Eindhoven bijvoorbeeld? Ze fotograferen elkaar en zichzelf. Aan het watertje in de stad bij de eenden en dan nog eens met z’n allen op het bruggetje. En dan? Open deur. Ze gaan naar de Chinees natuurlijk.

Chinezen gaan naar een goeie Chinees, is een oud Chinees gezegde. En ik heb vandaag geen zin om te koken. Uitstekende spontane ingeving.

Ik  beland in een eetzaal die lijkt op het penthouse van James Bond in Goldfinger. Niet het type nasi rames en een loempiaatje-Chinees. Geen lampionnetje te zien ook. Zelfs het Aquarium lijkt van out of space. Neonkleurige led-plantjes bewegen zacht ritmisch op en neer en er zwemt een kleine gouden goudvis. Ik ken goudvissen alleen in het oranje. Ja. Dit is een heel bijzondere Chinees.

Take Away? Vraagt de ober. Vluchten kan niet meer. Ik knik en vraag of ik de kaart mag zien. In een snelle beweging schuift de man een stoel in mijn knieholtes en dan een kaart onder mijn neus, loopt weg en keert een minuut later terug met een grote mok met verse Chinese thee. “Chinese Tea while you’re waiting!” roept hij en verdwijnt weer.

Dit is een heel bijzondere Chinees.

Bij het bestuderen van de kaart krijg ik lichte kortsluiting. Dat heb ik weleens bij te veel nummers en bij de ondergrondse in Parijs. De ober is er weer en roept in mijn oor: “Numbel?” Ik weet niet waarom, maar ik hoor mezelf nummer 152 bestellen. Het enige wat ik zonder leesbril van dat gerecht had kunnen oppikken was het woord ‘half’. Dat klinkt prima, ik ben immers geen grote eter en je komt al snel met een kilo of anderhalf te veel bij de Chinees vandaan.

Ik drink mijn thee en droom een loom kwartiertje weg in het James Bond decor,  en het geroezemoes van de groep Chinezen die enkele meters verderop waren neergestreken en foto’s van elkaar en de kroepoek, de lampen en het aquarium maakten.

Nummer 152 blijkt, als ik het witte papier thuis met kloppend hart uitvouw, een halve, helemaal niet gare eend, ruim hangend in zijn gaargekookte, flubberige zachte kippenvelvet. Terwijl ik mijn eend en bijgeleverde accessoires uitstal – de honger zakt al – komt de kat naar binnen met een schreeuwende kikker in zijn bek. De tweede al vandaag. (Het verbaast me nog steeds dat kikkers kunnen schreeuwen. Ik eet al jaren geen kikkerbillen meer om die reden.)

Net als ik begin te twijfelen of iemand LSD in mijn thee heeft gedaan, Appt een vriendin uit Venlo: ‘’Ga je nog iets spannends doen op je laatste vrije avond in Eindhoven?’’

Ik antwoord: “Ik heb zojuist gewandeld met een groep Chinese expats, zit nu met een halve gare eend op de bank en een schreeuwende kikker aan mijn voeten die niet gekust wenst te worden door de kat.

Hoe spannend wil je het hebben op maandagavond?

 

mijn zorgrobot en de punaises van Oma

robot-flower-wallpaper-1

Vroeger hadden we thuis een boekje getiteld Oma weet Het Beter. De eerste druk, met nog ouderwetsche Nederlandsche woorden erin. Bij een zwerende vinger, een teek (was het nu linksom of rechtsom draaien, een gloeiende sigaret erop of verdrinken in olie of afschrikken met terpetine?) maar ook nachtmerries, een zwaar gemoed of een kater na te veel drank. (rauwe eieren of haringen?) In Oma Weet Het Beter stonden eigenlijk alle oplossingen voor de grote wereldproblemen die zich zo dagelijks kunnen manifesteren in een groot huishouden.

Ik slaapwandelde als kind wel eens. En nogal uitgebreid. Zo werd ik weleens wakker met mijn hoofd in het felle ijskastlicht, in de hondenmand naast Bruno, of slapend onder de salontafel. Mijn moeder maakte zich zorgen nadat er een broodje-aap verhaal rondging over iemand in de buurt die uit het raam was gesprongen tijdens het slaapwandelen. Waar gebeurd of niet, het was een eng verhaal. Ze raadpleegde ons beduimelde Oma-orakel. Natte lappen naast het bed, was het advies. En als dat niet werkt: schoenspijkertjes. Mijn broer, die zich in die tijd in de sadistische puberale fase bevond, wist meteen een doos punaises te vinden en zei: die blijven beter liggen.

Natuurlijk heeft mijn moeder geen schoenspijkers, natte lappen of punaises rond mijn bed gestrooid. Maar voor mij leek het beeld al voldoende om ’s nachts gewoon in mijn bed te blijven liggen.

‘Oma weet raad’, de slimme best-sellende opvolger van ‘Oma weet het beter’’ heeft er goed munt uitgeslagen sinds de eerste druk in 1992; het boek is inmiddels tig keer in de herdruk gegaan en een succesvolle website schiet online dagelijks duizenden huishoudens te hulp bij het signaleren van een teek, een zilvervisje, of een jengelig kind met melktandjespijn. Oma’s raad reikt in feite nog veel verder dan boekjes en websites; ouderwetsche huishoudtips zijn miljoenenhandel en de basis voor talloze vrouwenmagazines, de marketingstrategie van biologische merken en ketens, tv-formats, gezondheid-vlogs, Instagram-dieet-guru’s. Oma zit zelfs tot in de haarvaten van advies- en psychologen-praktijken en alternatieve geneesmarkt. Oma is ons pre-technologische geweten uit de tijd toen we nog niet wisten dat we de wereld om zeep hielpen, maar wel wisten hoe we moesten overleven met de beperkte kennis en met de simpele middelen die we toen binnen bereik hadden. Als Oma had geweten dat er een eeuw later een miljoenen industrie zou ontstaan rondom deze simpelheid, dan had ze de rechten van haar eerste boekje in 1928 wel beter vastgelegd bij de notaris.  Of Dokter Vogel geheten. En hiermee had ze dan weer haar nazaten tot en met de vijfde generatie kunnen voorzien van een basisinkomen.

Dusss….Inmiddels weten we het zeker: Oma wist het fucking beter!

Waarom ik zelf ook nog naar dit soort boekjes neig te grijpen als ik een huishoudelijk wereldprobleem heb, weet ik eigenlijk niet. Maar ik stopte onlangs toch weer eens een natte krant in mijn nieuwe schoenen, legde een spons met azijn op een schoteltje, steek kruidnagels in sinaasappelen die te lang gelegen hebben en heb me onlangs nog flink laten uitlachen omdat ik weegbreebladeren in mijn sokken had gestopt. Dat hadden ook vier flesjes spray kunnen zijn uit een winkel: schoenen-soepelmaak-nano-spray, HG-nare-luchtjes-spray, Febreze luchtverfrisser oriëntaal met kruidnagel, voeten-zonder-blaren-spray.

Onlangs slaapwandelde ik weer eens sinds hele lange tijd. De trap naar mijn slaapkamer is Amsterdams steil en hoog voor Eindhovense begrippen; een bijna-ladder. Ik schrok wakker op ongeveer een halve meter voor de trap. Mijn geest had er snel een doosje punaises en natte lappen neergegooid, bleek. Auw. Zo zie je maar weer. Oma’s domme belachelijke raad, heeft zich in mijn systeem genesteld als welkome alarmbel.

Moderne tijd en ouderwetse wijsheid; ze zijn een prima huwelijk. Generatieoverschrijdend ook. Ik omarm beide. Generatiedingetje. Als ik later bijvoorbeeld een zorgrobot krijg, dan leer ik die gewoon kruidnagels in sinaasappelen steken en weegbree plukken als ik niet meer kan bukken.

PS. Mijn eigen oma’s wisten trouwens helemaal niks. De enige wijze raad die ik mij van oma #1 kan heugen: ”Kind, zorg dat je altijd een schone witte onderbroek aan hebt en eentje in de tas, voor het geval je een ongeluk krijg en ze je vinden.” Oma #2’s tip voor het leven was: ”Meisje, zorg ervoor dat je geen grote borsten krijgt, want dat moet je allemaal maar meeslepen een leven lang.”